Het ontstaan van de tijd (Of hoe het christelijke wereldbeeld het heidense wereldbeeld overwon)
In deze blog probeer ik een wat ongewone, wellicht zelfs provocerende mini-geschiedenis van het denken te leveren waarin ik bewust breder kijk dan louter de filosofiegeschiedenis en op wat wilde wijze onwaarschijnlijke thema’s met elkaar in verbinding breng teneinde het denken en onze kijk op de denkgeschiedenis wat los te schudden.
Het Griekse probleem van de verandering
Wie de oude Griekse filosofische teksten leest, valt op hoe sterk de meeste denkers zijn gericht op het probleem van verandering: hoe kan het denken, waarvan de categorieën stabiel en onveranderlijk lijken, de zintuiglijke werkelijkheid, die voortdurend verandert (zowel in tijd als in ruimtelijke perspectief), vatten? Verandering lijkt zich als een schepping uit het niets (want als iets verandert dan ontstaat iets waar het eerst niet was) aan ons begrip te onttrekken en zelfs met elke logische wet te spotten. Net zoals bij het verwante probleem van het particuliere, dat de zintuigen ons levert, versus het universele, dat de geest ons levert, behelst de klassieke oplossing een keuze voor de verstandelijke categorieën: alleen wat onveranderlijk en universeel is, bestaat op de volste wijze. De geest triomfeert zo over het lichaam en de hoogste en volste werkelijkheid is God als het hoogste geestelijk principe van al wat is (voor de oude Grieken was het goddelijke in wezen datgene wat onveranderlijk is en dat zo als hogere entiteit zijn wet oplegt aan de wereld). Het zintuiglijke wordt gedegradeerd tot een lagere vorm van werkelijkheid of zelfs regelrecht als een misleidende illusie (zie bv. de paradoxen van Zeno). De wijze is aldus hij die zich van het zintuiglijke afkeert en zich naar het geestelijke richt.
De triomf van de wiskunde
Deze hogere geestelijke, eeuwige, wetgevende wereld is die van de wiskunde. Het Griekse wereldbeeld is een wiskundig wereldbeeld met Pythagoras als haar grootste vader (en Plato als zijn invloedrijke discipel). De stelling die aan hem wordt toegeschreven is het klassieke voorbeeld van de ‘goddelijkheid’ van de wiskunde: de Stelling van Pythagoras geeft aan alle waarneembare rechthoekige driehoeken een onontkoombare wet en zij geldt eeuwig en onafhankelijk van de mens (omdat wiskunde zo bestaat uit objectieve gedachten en dus noch materieel noch subjectief is en daarmee zowel de zichtbare wereld als de menselijke toevallige gedachten overstijgt, kende bv. Frege haar een ‘Derde Rijk’ toe). De objecten van de wiskunde zijn zuiver en exact – in tegenstelling tot die van de zintuiglijke waarneming – en alleen de redeneringen van de wiskunde geven ons zekerheid over wat waar en wat niet waar is. En de wiskunde kent geen tijd.
De pre-christelijke circulaire tijd
Voor zover de oude Grieken beweging reëel achtten, werd zij ‘onschadelijk’ gemaakt door haar als circulair op te vatten zodat uiteindelijk toch niets verandert. De cirkel is het centrale figuur van kosmologie tot en met menselijke geschiedenis: zoals dag en nacht elkaar eeuwig afwisselen, draaien alle hemellichamen eeuwig hun rondjes rond het centrum, zal de gehele kosmos eindigen in een grote brand waarna alles zich alles herhaalt, zullen beschavingen komen en gaan, etc. Alle beweging is uiteindelijk slechts repetitie en zal altijd naar zijn (onbeweeglijke) oorsprong terugkeren. Ook religie was voor de Grieken slechts rite: het ritueel poogt de oorspronkelijke ervaring te behouden door de handeling te herhalen. Voor zover er zoiets als waarheid bestaat dan moet zij in de herhaling worden gevonden: alles verandert zodat slechts wat in die ‘verwarring’ telkens terugkeert en behouden blijft stabiliteit dus waarheid bezit. De opvatting van een cyclische tijd en de traditie van een ritualistische en legalistische religie is in feite kenmerkend voor wellicht alle beschavingen vóór of naast het christendom.
De revolutie van het christendom
Voor de christen daarentegen is verandering en daarmee tijd zeer reëel en zelfs de kern van zijn wereldbeeld: de wereld bestaat niet eeuwig zoals bij de Grieken maar is geschapen, God is op een bepaalde datum naar de Aarde neergedaald om de mensheid te verlossen, er zal een laatste dag des Oordeels zijn en het doel van het leven is niets minder dan (definitieve) transformatie van zondaar naar herboren mens. Daarbij speelt vrijheid een cruciale rol: waar voor de Grieken alles noodzakelijk ontwikkelt (volgens wiskundige wetten) van hoog naar laag en dan weer terug van laag naar hoog (zodat alles zich geheel heeft ontplooid en de cirkel weer rond is), is voor de christen alle werkelijkheid contingent en staat elk mens voor de keuze om goed of kwaad te willen. Voor de christen herhaalt zich niets, bestaat er slechts het unieke individu en is er slechts een lineaire, contingente ontwikkeling in tijd. Het christendom verwerpt dan ook het ritueel en plaatst waarheid (‘dogma’) in de plaats van rite (volgens Girard is dat de waarheid dat de zondebok, die archaïsche religies ritueel offeren om de opgebouwde spanning te ontladen, onschuldig is en dat de maatschappelijke rust en orde aldus op moord berust: “heb uw vijand lief” maar daarom ook “ik kom geen vrede maar het zwaard brengen” nu het christendom geen orde en behoud maar verandering en zelfs revolutie – maar dan niet in de letterlijke zin van omwenteling (cirkelbeweging) – brengt). Jezus is de revolutionair en het christendom brengt het absurde dat de goddelijke orde ondermijnt: “credo quia absurdum”.
De verchristelijking van het wereldbeeld
Slechts zeer langzaam werd het Grieks wereldbeeld ‘verchristelijkt’ door de hiërarchie van zijnden in te klappen tot louter God en het zintuiglijke, waarbij dat zintuiglijke als zeer reëel geldt, en het primaat van het universele te verruilen door het primaat van het individuele, waardoor rationalisme en collectivisme ondergeschikt werden aan empiricisme en individualisme. Toch domineert ook in de vroeg-moderne tijd het wiskundig wereldbeeld, omdat wiskunde het denken in zichzelf fundeert en zo het ego tot het fundamentele subject maakt (Descartes’ cogito ergo sum), hetgeen het individu bevrijdt van alle traditie en autoriteit en dat een nieuwe vrijheid in de zin van zelfbepaling en zelfbeperking levert, waarbij de moderniteit welhaast wordt gedefinieerd door de ontdekking van de ruimte (van de perspectivistische kunst van de 15de eeuw tot Newton die zijn concept van de absolute ruimte als zijn belangrijkste ontdekking beschouwde). Pas in de 19de eeuw lijkt het christelijke bewustzijn geheel door te breken en het wiskundig wereldbeeld, waarin de dingen eeuwig en harmonieus zijn, te verruilen door een historisch wereldbeeld waarbij alle dingen worden onderzocht in hun ontwikkeling en dat relativistisch en revolutionair is. Dit leidt onder meer tot een studie van de menselijke beschavingen, van de geschiedenis van de filosofie en de wetenschap, van de evolutie van het leven en de ontwikkeling van de kosmos. Maar het leidt ook tot politieke ideologieën, gebaseerd op het idee van vooruitgang en maakbaarheid waarbij revolutionaire ideologieën en hun tegenbewegingen ontstaan, en in met name de 20ste eeuw tot tijd als het centrale probleem van zowel filosofie (bv. Bergson) als natuurkunde (bv. de hedendaagse snaartheorie en Einstein die Newtons absolute tijd verwerpt ten gunste van een meer Leibniziaanse relatieve tijd met een opheffing van verleden, heden en toekomst), waarbij wordt erkend dat het bijzondere karakter van de tijd (het pijlkarakter; entropie) zich niet in wiskundige formules lijkt te laten dwingen.
Het christendom als de verkondiger van de dood van God en het einde van religie
Opmerkelijk daarbij is dat de doorbraak van een waarachtig, op het bewustzijn van tijd gebaseerd, christendom gepaard gaat met de doorbraak van atheïsme in de 19de eeuw: niet alleen is het christendom “het einde van religie” (Girard) omdat het een einde maakt aan taboe, ritueel en eredienst om er zuivering, waarheid en geloof voor in de plaats te zetten, maar in haar ‘schandelijk’ (blasfemisch) symbool van God aan het kruis verkondigt zij tevens “de dood van God” (Hegel, Nietzsche). Net zoals de kerk in de Renaissance in feite de nieuwe wetenschap aanviel op aristotelische, onchristelijke gronden en de nieuwe wetenschappers juist diep gelovige christenen waren en hun wetenschap als hun ‘eredienst’ opvatten, zo bezitten de grote ‘vijanden’ van het christendom, zoals Darwin en Nietzsche, eveneens een belangwekkende christelijke kern: zowel Darwin en Nietzsche veroorzaakten in de eerste plaats een revolutie op hun gebied door een christelijk hypernominalisme (alleen het unieke individu bestaat, elke categorie is flexibel) en evenzeer christelijk bewustzijn van verandering als enige zekerheid. Zoals de pragmatist James betoogt hebben religie en moraal een metafysische basis in het probleem van het ene en het vele dat Plato zo bezig hield: de religieus ingestelde persoon zal met Plato kiezen voor het ene als de ultieme waarheid, waarbij alles uit het ene voortkomt en alles daarom noodzakelijk met elkaar in verband staat (de systemen van Spinoza, Leibniz en Hegel lijken me typisch moderne voorbeelden hiervan), terwijl de moreel ingestelde persoon zal kiezen voor het vele als de ultieme waarheid, waardoor alles contingent is en de mens in vrijheid kan kiezen voor het ene of het andere. En de moreel ingestelde Kant beoordeelde het christendom als de ‘ware’ religie, juist omdat het in James’ betekenis anti-religieus is en erop gericht is de moraal centraal en autonoom te maken (met God en de eenheid van alles nog slechts als een regulatief idee) in plaats van de moraal af te leiden uit God.
Hoe Darwin en Nietzsche de traditionele wereldbeelden ondermijnen
Zeker Darwin ondermijnt – zoals eerder Copernicus en Galileo – uiteindelijk in hogere mate het Griekse wereldbeeld dan het christelijke wereldbeeld (maar de christelijke kerk had bij gebrek aan een christelijke filosofie en wetenschap die van met name Aristoteles en het neoplatonisme tot de hare gemaakt); Nietzsche is daarentegen behalve een vijand van het Griekse denken vanaf Socrates, die het apollinische element boven het dionysische element van de cultuur stelde, ook een bewuste antichristen en ondermijnt het christendom niet alleen op het gebied van de moraal maar ook op het gebied van de metafysica voor zover hij die in weerwil van zijn vermeende antichristelijke keuze van leven en lichaam boven geest toch nog ontwikkelt (volgens Heidegger; ik denk dat Nietzsche geen metafysicus is maar wel speelt met antichristelijke metafysische opvattingen in zijn strijd tegen het christendom): Nietzsche wijst de christelijke (en platoonse) gerichtheid op waarheid af en wil terug naar het archaïsche ritueel, waartoe hij de opvatting van de cyclische tijd nieuw leven inblaast (het latere fascisme zal deze cyclische opvatting van de tijd tot de zijne maken en net als Nietzsche een zekere ambivalente positie jegens het christendom en moderniteit innemen).
Het Jodenvraagstuk
Veel typisch christelijk-moderne inzichten en benaderingen zouden culmineren in het ‘Jodenvraagstuk’ dat daarom een onwaarschijnlijk grote rol zou gaan spelen gedurende de 19de en begin 20ste eeuw. De Verlichting had voor het eerst de emancipatie van de Joden op de agenda gezet, maar tegelijkertijd impliceerde de Verlichting religiekritiek, werd de evolutieleer ook op de mens toegepast waardoor rassentheorieën werden ontwikkeld, werd de rol van beschavingen onderzocht in de ontwikkeling van de menselijke geschiedenis waarbij men zocht naar de rol van het Jodendom daarin (Jezus was uiteindelijk een Jood, zodat het Joodse volk een bijzondere historische betekenis moest hebben) en kreeg een en ander tevens vorm in politieke ideologieën waarbij men de massa voor zijn standpunten probeerde te winnen. Voor Verlichtingsdenkers als Kant (en Hegel) was het jodendom als leugenachtige religie van dwingende rituelen en heteronome wetten de ‘achterlijke’ religie bij uitstek (Kant achtte het jodendom in feite geen religie maar een ‘ideologie’), waarvan de rol in de wereldgeschiedenis sinds Jezus uitgespeeld was en waarbij de Joden zich dienden te emanciperen door middel van assimilatie dus bekering tot het christendom. Marx formuleerde wellicht het klassieke antisemitisme door de Joden te associëren met het kapitalisme (daarbij voortbordurend op Hegels associatie van het jodendom met de menselijke vervreemding van zichzelf), waarbij geld de enige aanbeden God is en de Joden worden geassocieerd met uitbuitende kapitalisten die als parasieten het volk beroven, zodat niet de Joden zich van ons maar wij ons van de Joden moeten emanciperen door ons te zuiveren van de (geldbeluste, van zichzelf en van de gemeenschap vervreemde) Jood in onszelf. Nietzsche speelt met het heersende antisemitisme van zijn tijd: hij shockeert zelfs de antisemieten met zijn harde antisemitische uitingen, waarbij hij de oude priesterklasse der Joden aanwijst als bron van alle decadentie van onze cultuur, maar tegelijkertijd acht hij juist de moderne Jood van de diaspora het sterkste ras en vijf keer hoger dan de Duitser en wenst hij dat de Joden de macht overnemen in Europa om de Ubermensch mogelijk te maken (met uitzetting van alle antisemieten). Het Joodse volk is zo gaandeweg getransformeerd van het volk van het verleden via het volk van het heden naar het volk van de toekomst, waarmee voor Nietzsche de cirkel weer rond is…



Reacties (17)
Ik zie dat mijn betoog weinig reacties uitlokt. Vinden jullie mijn beschouwingen wel een beetje interessant of kan ik beter over hele andere onderwerpen schrijven?
Beste Porphyrios,
De filosofie is volgens jou dood. Misschien is dat de reden dat je je voornamelijk begeeft op het terrein van de geschiedenis van de filosofie: dode Grieken en 'overwonnen' Duitse 'systeemdenkers' (even afgezien van Nietzsche, ook dood maar geen systeemdenker). Bovendien maak je gewag van een overwinning, waar misschien 'opvolging' meer op z'n plaats ware geweest. En het begrip 'heidens' heeft in de context van de filosofie geen plaats, komt zelfs licht lachwekkend over.
In de filosofie valt religie sowieso een marginale plaats toe te kennen, i.c. een contextuele. Voor het bestuderen van religie zijn m.i. andere gremia beschikbaar.
Tot slot: er is een mooi voorbeeld van een filosoof die kon zwijgen waar niet meer te zeggen valt. Hij noemde aan zijn uitgever het niet-zegbare (en dus niet-geschrevene) het belangrijkste deel van zijn werk. Wat zich laat zeggen laat zich helder zeggen en over het andere moet men zwijgen. Dat zijn de gebieden esthetica, ethiek en religie. Alles wat neigt naar metafysica is misschien wel waardevol maar ligt zeg maar 'jenseits von Gut und Böse'. Overigens is het gedachtegoed van deze filosoof (Wittgenstein) springlevend in de angelsaksische landen; er zijn jaarlijks vele congressen waar velen uit de hele wereld op afkomen.
Misschien dat de historiserende boeken- en wierooklucht in jouw betoog de lauwe reacties verklaart?
Beste Onwijsgeer,
Ik begrijp uit je reactie dat je religie en filosofie als twee sterk verschillende dingen opvat. Maar wat ik nu zo interessant vind aan de ideeënhistorische benadering is dat – hoe seculier de werken van filosofen ook zijn – het religieus denken werkelijk alle filosofie lijkt te bepalen, juist ook de ‘atheïstische’ moderne filosofie of wetenschap. Ik denk dat er beslist waarheid zit in bv. Spenglers opvatting dat alle cultuur begint met bepaalde religieuze intuïties en dat filosofie uiteindelijk niets anders is dan de systematische en rationele uitwerking van die religieuze ideeën.
Overigens, misschien denk je dat ikzelf gelovig ben en daarom zo graag religie en filosofie vermeng, maar ikzelf ben een overtuigd atheïst. Maar dat mijn atheïsme voortkomt uit het christendom (dat immers God heeft vermoord door hem aan het kruis te slaan), ja misschien zelfs het hart vormt van het christendom, vind ik een intrigerende gedachte (het thema van de “dood van God” staat trouwens niet alleen centraal bij Nietzsche maar ook al bij bv. Hegel).
Wat je verwijzing naar Wittgenstein betreft: ik geloof niet dat zijn Tractacus nog veel invloed heeft. In feite was dat werk, dat bijna een soort logisch positivistisch werk was waarmee Wittgenstein voortborduurde op het werk van Frege en Russell, al vrij snel achterhaald na zijn publicatie. Ook Wittgenstein vond dat werk achterhaald en heeft toen een nieuwe filosofie opgezet, die van de Philosophische Untersuchungen (bekend van de ‘taalspelen’). Dat werk heeft veel ‘ordinary language’-filosofen geïnspireerd en is vermoedelijk in de Angelsaksische wereld tot op de dag invloedrijk. Maar daarin zul je die radicale scheiding tussen het zegbare en onzegbare niet meer vinden.
Groet,
Porphyrios
Goed, ik laat jouw eerste twee alinea's voor wat ze zijn. Maar als je zelf met de verzuchting komt waarin je het gebrek aan reacties aan de orde stelt, zit in je onderwerpkeuze en bespreking ervan misschien een verklaring.
Wat je laatste alinea betreft. Er is beslist geen sprake van een verflauwde belangstelling voor de Tractatus: ieder jaar verschijnen er tientallen boeken en artikelen over met auteurs als McGinn, Diamond, McManus, Conant enzovoort. Met name is momenteel de vraag aan de orde of het boekje 'metafysisch' moet worden gelezen (stelling 1 begint met een metafysische aanname: ‘de wereld is …’) dan wel 'realistisch'. Dat wil zeggen dat men de voorlaatste stelling (6.54) serieus moet nemen en, met de auteur, moet concluderen dat wie hem goed begrijpt, inziet dat zijn stellingen onzinnig zijn. Wat ze dan wel zijn is onderwerp van een verhit debat. (Dat filsofie is ondergedoken in een wereld die beheerst wordt door korte-termijn mediaal geweld, is een andere verhaal).
Waar het om gaat is de rol die de taal speelt. Zowel bij de Tractatus als bij de Phil. Untersuchungen staat de taal centraal en daarom alleen al is er van een zekere continuïteit sprake, ook al vond Wittgenstein zelf dat er een breuk tussen beide werken lag. Taal is in ons dagelijks gebruik perfect bruikbaar, maar zodra we gaan filosoferen lijkt de taal vakantie te vieren. De enige taak die filosofie nog rest, is strijd te voeren tegen de beheksing van ons verstand door de middelen van de taal. Dus als we niet zwijgen over (de gronden van) esthetica, ethiek, religie, metafysica, spreken we onzin. Ook in zijn tweede werk vind je zodoende talloze bewijzen dat ons taalgebruik buiten haar oevers kan treden, zoals bijvoorbeeld (en paradoxalerwijze) bij filosofie (en misschien is ook mijn verhaaltje er een voorbeeld van ;-)
Dat de Wiener Kreis Wittgenstein voor haar karretje probeerde te spannen is duidelijk, maar dat deze weinig moest hebben van die groep eveneens. Beroemd is het incident tijdens een voordracht van Wittgenstein voor de W.K.-leden (waaronder Carnap, von Neumann en Waismann) toen hij, zijn rug naar zijn gehoor toegewend, slechts gedichten van Tagore voordroeg. De Wiener Kreis wees metafysica af als onzinnig (en maakte Heidegger belachelijk). Wittgenstein vond metafysica eveneens onzinnig omdat er niets over kon worden gezegd (stelling 7), maar zij was voor hem juist van het grootste belang (en daarin lijkt hij op Kierkegaard).
Tot slot ‘wat zegbaar is’, is een kwestie van conventie en cultuur. Maar het voert hier te ver om over linguïstisch relativisme en Quine’s of Davidssons principiële onvertaalbaarheid te beginnen. Al met al redenen om alert te blijven en de “taal-Sirenen” te ontwijken.
Beste Onwijsgeer,
Volgens mij is er niet veel discussie nodig over wat Wittgenstein met zijn Tractatus wilde laten zien. In feite staat het werk – in eerste instantie – in de lange Angelsaksische, analytische, anti-metafysische en logisch-positivistische traditie die wellicht al door Hume geheel is geformuleerd:
“If we take in our hand any volume; of divinity or school metaphysics, for instance; let us ask, Does it contain any abstract reasoning concerning quantity or number? No. Does it contain any experimental reasoning concerning matter of fact and existence? No. Commit it then to the flames: for it can contain nothing but sophistry and illusion.”
Wittgenstein werd in zijn Tractatus vooral geïnspireerd door de wiskundige afbeeldingstheorie om Hume’s punt op een nieuwe manier uit te drukken: zinvolle zinnen zijn afbeeldingen van feiten (Hume’s “matters of fact”). Ofwel een zin drukt symbolisch een bepaalde empirisch verifieerbare toestand uit (met de zin als afbeelding van het logische patroon van de toestand), ofwel een zin is een tautologie die niets over de werkelijkheid zegt maar een hulpmiddel kan zijn om het patroon te begrijpen. Ethiek, esthetica, metafysica zeggen misschien iets over onze houding jegens de wereld, maar niets over de wereld als zodanig: een ethische of metafysische zin is geen afbeelding van een feit en dus onzinnig. Maar ook deze theorie over taal en werkelijkheid is onzinnig: een zin kan zinvol een feit uitdrukken maar kan niet de relatie tussen zin en feit uitdrukken. Daarom is de Tractatus een ladder die men moet omgooien wanneer men hem heeft beklommen:
“My propositions are elucidatory in this way: he who understands me finally recognizes them as senseless, when he has climbed out through them, on them, over them. (He must so to speak throw away the ladder, after he has climbed up on it.)
He must surmount these propositions; then he sees the world rightly.”
Met andere woorden: als men de Tractatus heeft begrepen, dan begrijpt men dat men zinvol kan spreken over feiten (beschrijvingen van toestanden) maar dat men over de rest niet zinvol kan spreken dus moet zwijgen.
Het cruciale verschil met de ‘echte’ logisch positivisten, zoals Russel en de Wiener Kreis, is volgens mij in de eerste plaats dat Wittgenstein daarmee beslist niet de ethiek, esthetica en metafysica waardeloos acht: integendeel, juist alleen datgene waarnaar ethiek, esthetica en metafysica verwijst heeft waarde (en daarmee toont Wittgenstein zijn continentale ‘roots’)! Alleen heeft het geen zin om die waarde te proberen uit te drukken (die waarde is immers geen feit): Wittgenstein is zo uiteindelijk een mysticus die een mystieke weg wijst naar wat waarde heeft. Juist over wat waarde heeft en dus belangrijk is, kan men niet spreken: zoals we niet zinvol kunnen spreken over wat een zin zegt (de relatie tussen zin en feit) maar kan de zin alleen maar ‘tonen’ wat hij zegt (het feit), zo ook ‘toont’ het waardevolle, dus het ethische, het esthetische en het metafysische, zichzelf in het leven, maar kan dat niet in een zinvolle zin uitgedrukt worden.
Ik geloof ook niet dat je het heel erg oneens bent met deze – volgens mij vrij gangbare – Tractatus-interpretatie. En zoals je het zelf beschrijft, laat je goed zien dat Wittgenstein een mooi voorbeeld is van de ‘linguistic turn’ waar mijn blog ‘De huidige beperkte opvatting van wat filosofie is’ over gaat: zelfs bij een ommezwaai van analytische filosofie, waarbij men de fout gelegen ziet in de vaagheid en dubbelzinnigheid van de gewone spreektaal die daarom gezuiverd moet worden tot een strikt logische, exacte kunstmatige taal (zoals Spock in de film ‘Star Trek’ die gisteren op TV was zegt: “je spreekt wartaal want je termen zijn niet exact gedefinieerd”), naar de ‘ordinary language’-filosofie, waarbij men de fout juist in de traditionele filosofische analyses ziet waarbij de filosoof niet begrijpt hoe gewone taal werkt en het de taak van de filosoof wordt om dit gebruik – deze taalspelen – te verhelderen om zo ‘de vlieg de weg uit de pot’ te wijzen, blijft de focus op taal.
Wel heb je trouwens gelijk dat er geen radicale breuk is tussen ‘Wittgenstein II’ en Wittgenstein I’, nog naast het feit dat het allemaal over taal gaat: reeds de Tractatus divergeert met zijn logisch positivistische leraren zoals Russell doordat Wittgenstein erin al voorzichtig vooruit wijst naar zijn latere filosofie. Zo stelt Wittgenstein reeds in de Tractatus dat er geen kunstmatige taal nodig is, omdat reeds de gewone taal een volkomen logische structuur heeft die als zodanig in staat is de feiten af te beelden: “All propositions of our colloquial language are actually, just as they are, logically completely in order.”
Groet,
Porphyrios
Wat mij inmiddels opvalt beste Porphyrios, is dat je hetzij mijn argumenten niet bestrijdt, hetzij ze zelfs overneemt. Ik krijg zo’n een beetje het idee dat ik trots wat sprokkelhout aandraag bij de hoofdakela die vervolgens bepaalt of het brandbaar is of niet.
1e alinea: W zou in de angelsaksische traditie staan (inclusief Frege dus?). Maar alleen al de Britse manier van filosoferen is te vrijblijvend: i.c. een soort vrijetijdsbesteding voor gevestigde heren die maatschappelijk allang op het droge staan. Bij W is zijn totale existentie ermee gemoeid. Vandaar zijn verwantschap met de existentialist Kierkegaard. Vandaar ook dat Russell himself al in brieven gewag maakte van de vrees dat zijn pupil van het gangbare Brits-filosofische pad afraakte. Mocht er in de Tractatus daarvan te weing door schijnen, lees dan zijn eerdere dagboeknotities er maar eens op na.
Vervolgens ga je (“Met andere woorden …”) net als ik stelling 6.54 memoreren en, net als ik zeggen dat er alleen iets te zeggen valt over feiten, etc. Daarna neem je weer een volgend argument over: “Het cruciale verschil…” . Vandaar dat jij stelt: “Ik geloof niet dat je het heel erg oneens bent met deze (jouw) Tractatus-interpretatie…”. Nee, dank je de koekoek; ik draag haar zelf aan in mijn vorige ‘ambtsbericht’, zij het in andere woorden.
Nu zal je zeggen: ik geef je gelijk en breid alleen je argumenten wat uit. Maar dat lijkt alleen maar zo want als klap op de vuurpijl, meld je iets waar ik dan wèl gelijk in heb: de vermeende breuk tussen de vroege en de late Wittgenstein.
Ik ageer misschien een beetje polemisch (W.F. Hermans-achtig), maar wens me door jouw redeneerstijl niet in het ootje te laten nemen beste Porphyrios!
Groetend,
Onwijsgeer
Beste Porphyrios,
Ik wou me van commentaar onthouden omdat we elders in discussie waren.
Maar aangezien je om commentaar vraagt: je betrekt heel veel in je beschouwing waarvan ik niet direct het verband met de titel begrijp, en dat vertroebelt het resultaat.
Er zijn twee dingen die zomaar in het oog springen: je particularistische kijk op het christendom en je particularistische kijk op het jodendom, beide zonder redelijke grond. Het doet me denken aan dispensationalism en christian zionism, niet aan atheisme of pluralisme.
Dat het christendom de lineaire tijd uit heeft gevonden is een oud idee van Mircea Eliade. Ik persoonlijk denk dat landbouw, zelfs de moderne landbouw zolang die nog in openlucht, onder de seizoenen plaatsvindt, van nature steunt op circulaire tijd.
Aan de hoven van oude koninkrijken werd de tijd weergegeven als het aantal jaren dat een koning aan het bewind was, en langere periodes met koningslijsten. Lineair dus.
Daarna was het maar een stap om in mythes koningen door goden te vervangen, en de hele denkwijze naar een kosmische lineaire tijd te vertalen. Die stap werd het eerst gezet in Perzië, door het zoroastrianisme dat Cyrus tot staatsgodsdienst had verheven. Volgens de zoroastrische mythologie is de wereld geschapen door Ahura Mazda, die gedurende 3000 jaar het kwaad zal bevechten, waarna hij zal overwinnen en de tijd zal ophouden (het zal voor altijd dag blijven.)
Beste siger,
Mircea Eliade kende ik niet, maar zijn theorieën over religie, zoals ik die op Wikipedia lees, spreken mij wel aan. Je hebt trouwens helemaal gelijk dat meer culturen de tijd – cyclisch of lineair – hebben ‘uitgevonden’. In dat verband moet ik aan Spengler denken die Nietzsche al bekritiseerde op het punt dat Nietzsche eigenlijk alleen maar spreekt over het oude Griekenland en het moderne, ‘joods-christelijke’ Europa (zoals ik ook doe in mijn stuk) terwijl Spengler de hele wereldgeschiedenis, inclusief de andere culturen, bij zijn onderzoek wil betrekken. In dat verband merkt Spengler al op dat terwijl de oude Grieken geen enkele notie van tijd leken te hebben (en daarom een strikt ruimtelijk, wiskundig wereldbeeld formuleerden) onder meer de oude Egyptische cultuur – ongetwijfeld als gevolg van hun landbouw – juist geheel in het teken van een bewustzijn van de tijd stond: van hun stenen bouwwerken tot hun mummificaties, alle Egyptische cultuur lijkt te zijn gericht op het bewaren van dingen dus het bestand maken van dingen tegen de gesel der tijd. In dat verband merk ik op dat in het westen een vergelijkbaar ‘behoudzucht’ en het hechten van waarde aan antieke artikelen pas in de 19de eeuw is ontstaan toen in Europa eenzelfde bewustzijn van tijd doorbrak (dat maakt bv. het conservatisme paradoxalerwijs tot een typisch moderne ideologie!).
Ik weet trouwens niet goed wat je bedoelt met je kritiek inzake een ‘particularistische kijk op het christendom’, een ‘particularistische kijk op het jodendom’, ‘dispensationalism’ en ‘christian zionism’.
Groet,
Porphyrios
---
Bewerkt door Porphyrios op Apr 16 12 4:02
Beste Porphyrios,
Met de "revolutie van het christendom" en "het Joodse volk is het volk van de toekomst" wekte je de indruk dat je beide gorpen een bijzondere plaats in de wereldgeschiedenis toedichtte. Dat is dan weer wat me aan genoemde strekkingen deed denken. Ik kan me best vergissen, natuurlijk.
Beste Porphyrios,
Je meent het niet... Je schrijft hierboven: "... het christendom (dat immers God heeft vermoord door hem aan het kruis te slaan), ja misschien zelfs het hart vormt van het christendom, vind ik een intrigerende gedachte..."
Je bent zo geinteresseerd in geschiedenis, maar je beseft blijkbaar niet hoezeer de geciteerde visie op de gemiddelde christen (of ex-christen of welk persoon dan ook met enig historisch besef) overkomt als een opperste misverstand. Want aldus gezien kan je ook zeggen dat de nazies uit liefde voor de joden de staat Israel hebben gesticht. Of dat de communisten de Rockefellers en Vanderbilts hebben uitgeroepen tot voorbeeldige helden van hun heilstaat.
---
Bewerkt door Benedict Broere op Apr 17 12 5:26
Beste siger,
Met de revolutie van het christendom bedoel ik de in sommige opzichten radicale ommezwaai die het christendom heeft veroorzaakt in Europa ten opzichte van de klassieke cultuur: het christendom staat ontegenzeggelijk aan de basis van wat wij de moderniteit noemen (dat is grofweg de Europese cultuur sinds de Renaissance). Zoals ik hierboven al uitleg heeft mijn artikel niet een hele brede wereldhistorische scope: ik probeer slechts de fundamentele ontwikkeling van de antieke, Griekse cultuur naar de modern-christelijke cultuur in enkele pennenstreken te schilderen. Ik weet te weinig van andere culturen om daar veel zinnigs over te zeggen, maar ik acht tegelijkertijd wel onder anderen Eliade’s en Girards opvatting plausibel dat het christendom een tamelijk uniek nieuw en revolutionair perspectief bracht, nu we immers alleen in het christelijke westen zo’n opeenstapeling van revoluties hebben zien optreden waardoor alleen bij ‘ons’ het traditionele perspectief gaandeweg geheel is vervangen door een modern perspectief. Als je beter naar al die revoluties gaat kijken, dan ontdek je dat ze alle christelijk geïnspireerd waren: de geschiedenis bewijst zo de ongekend revolutionaire kracht van het christendom.
Op zijn beurt heeft het christendom natuurlijk veel te danken aan het jodendom: het christendom is uiteindelijk een joodse sekte. Dat verklaart waarom Europa altijd zo geobsedeerd is geweest door de Joden (vaak helaas in negatieve zin). Ikzelf deel die obsessie niet zo, maar ik heb in mijn artikel wel iets over die westerse obsessie gezegd. Daarbij eindigde ik met Nietzsche die een complexe houding jegens de joden tentoonspreidde: daarbij is het jodendom als “het volk van de toekomst” uitdrukkelijk als een mogelijke Nietzsche-opvatting bedoeld en is dus niet mijn eigen opvatting.
Groet,
Porphyrios
Beste Porphyrios,
Die radicale ommezwaai is mi. niet te danken aan, maar ondanks het christendom. De echte motoren van moderniteit waren het doorbreken van grenzen: met de Arabische wetenschap, met Amerika, met het Oosten door de verschillende handelscompagnieën, en niet te vergeten het daaropvolgend doorbreken van sociale grenzen.
De christelijke inspiratie van de moderne wereld is mi. een stukje twintigste-eeuwse reverse engineering.
Beste Benedict,
Ik heb de indruk dat je mijn artikel niet gelezen hebt. Ik weet niet precies waar je allemaal op doelt, maar de visie dat het atheïsme is voortgekomen uit het christendom wordt vrij algemeen aanvaard onder historici en filosofen: het is juist een teken van gebrek aan historische kennis als je dat verband tussen christendom en atheïsme niet ziet. Wel moet ik het misschien een beetje nuanceren: de relatie tussen atheïsme en christendom is als die tussen christendom (of Nieuwe Testament) en jodendom (of Oude Testament). Het is dus aan de ene kant bewust de antithese maar aan de andere kant komt het er ook uit voort: het is een reactie of beter nog, een herinterpretatie. En uiteraard accepteren christenen die atheïstische herinterpretatie niet (zoals joden ook Jezus’ herinterpretatie van de Tenach niet accepteren).
Nietzsche sprak in dat verband van de conservatieve buitenkant van het christendom, gerepresenteerd door de kerk, en de revolutionaire kern van het christendom, gerepresenteerd door (de echte leer van) Jezus. Niet voor niets haten de meeste moderne mensen de kerk, die immers de traditionele, mythische vorm van religie representeert, maar erkennen zij Jezus als het grote voorbeeld van een goed mens. Niet in de laatste plaats geldt dat voor ‘links’: veel anarchisten haten God en de kerk maar zien in Jezus hun grote voorbeeld en in bijna elk filosofieboek zul je vinden dat Marx’ filosofie bijna letterlijk een kopie is van de officiële christelijke leer zoals geformuleerd door Augustinus. De marxist Bloch merkte zelfs op: “Only a Christian can be a good atheist and only an atheist can be a good Christian”.
Er zijn overigens vele versies of aspecten van de these dat atheïsme het product van het christendom is. Ik heb vooral “de dood van God” genoemd, omdat die zo bekend is geworden door Hegel en Nietzsche (alsmede heb ik de christelijke keuze voor moraal boven religie benadrukt). Bv. de filosoof Vattimo ziet de bron van de westerse secularisering vooral in de neerdaling van God op aarde, dus in Christus als de vleesgeworden God (waarmee God zijn transcendentie verliest en wereldse historische gebeurtenissen belangrijk worden).
Bij mijn artikel werd ik ook geïnspireerd door de notie van ‘christendom als het einde van de religie’. Die notie schrijf ik aan Girard toe, maar hij is misschien beter van toepassing op Gauchet die het christendom “de religie van het einde van de religie” noemt (en meerdere boeken heeft geschreven over hoe de seculiere moderniteit is voortgekomen uit het christendom). Girard is iets genuanceerder: voor hem is het christendom het einde van alle mythologie en traditionele vormen van religie. Zijn opvattingen lijken min of meer overeen te komen met die van Eliade (met dank aan siger die me op deze religiehistoricus wees):
http://en.wikipedia.org/wiki/Mircea_Eliade
Ook lezenswaardig is misschien deze link (over met name Bonhoeffers streven naar een ‘religieloos christendom’): http://erikbuys.wordpress.com/2012/02/29/the-end-of-religion/
Groet,
Porphyrios
Beste siger,
Ik denk dat veel van het misverstand of onbegrip jegens het verband tussen christendom en atheïsme/secularisme gelegen is in het niet onderscheiden van kerk en christelijke kern. Men is geneigd het christendom te vereenzelvigen met de kerk en diens opvattingen, maar zoals Nietzsche uitlegt is dit slechts de misleidende, anti-revolutionaire buitenkant: het ware christendom is het tegengestelde van de kerk en meer een revolutionaire onderstroom die vanaf de Renaissance steeds meer invloed heeft gekregen en de moderniteit heeft geproduceerd. Dus ja, Galileo had een conflict met de kerk, maar dit was geen christelijke tegenwerking van de nieuwe wetenschap. Galileo was juist de diep gelovige christen die werd dwars gezeten door een corrupte kerk die de heidense opvattingen van Aristoteles als dogma hanteerde tegen nieuwe, meer christelijke opvattingen.
Groet,
Porphyrios
Beste Porphyrios,
Ik val over denk ik iets uitermate simpels, maar dat dermate in je betoog uitsteekt, dat ik er nog helemaal niet aan ben toegekomen om het werkelijk te lezen. Het gaat om het volgende: "... het christendom (dat immers God heeft vermoord door hem aan het kruis te slaan)..." Nu kan ik het verkeerd hebben, maar volgens mij leren christenen elkaar al eeuwenlang dat het Romeinen waren die Jezus kruisigden, en speciaal Jezus en niet moordenaar Barabas, op instigatie van een joodse tempelkliek. Vervolgens was daarmee het christendom nog lang niet geboren, want Jezus moest nog verschijnen aan zijn volgelingen. En ook dan nog duurde het lange tijd voordat er sprake was van 'christenen' en 'christendom'.
Daarnaast is mij bekend bijvoorbeeld dat het christendom in belangrijke mate de basis vormt van de moderne, democratische en op wetenschap en mensenrechten georienteerde samenleving. Althans, de kernconcepten daarvoor, de waardigheid van het individu (zie werk van Frits de Lange), en het geloof in de onderzoekbare orde van de schepping (zie werk van Floris Cohen), zijn te vinden in het christendom. Hoezeer ook datzelfde christendom blijk heeft gegeven van conservatieve remmende krachten en daaruit de neiging innovatie te onderdrukken. Vervolgens bevatte datzelfde christendom daarmee ook de hefboom voor haar ondergang - individualisme, rationaliteit, scepcis, materialisme, atheisme, enzovoort - of het moet zo zijn dat zij dialectisch op een hoger plan weet te komen, in de trant van een integratie van wetenschap en religie (o.a. Bergson, Whitehead, Teilhard, Aurobindo, Capra, Swimme, Dowd, Laszlo, Russell, Goswami). Het is evenwel de vraag of het dan nog wel gaat over 'christendom', gezien de globalisering in ook het denken en de concepten.
Beste Benedict,
Goed te zien dat we het grotendeels eens zijn. Wat betreft mijn tekst dat het christendom God aan het kruis heeft geslagen: het is uiteraard zo dat volgens de Bijbel de Romeinen of Joden Jezus aan het kruis heeft geslagen. En zoals je zelf al zegt bestond er toen ook nog geen christendom: die ontstond pas toen men ging geloven dat Jezus na zijn kruisdood zou zijn opgestaan uit de dood. Maar daarmee werd Jezus opeens de neergedaalde God, die zich had opgeofferd voor de mensheid. Maar dat betekent dan toch dat pas de christenen geloofden dat God aan het kruis is geslagen? Dus op die manier hebben dan toch eerst de christenen het beeld geschapen dat God is vermoord zodat je – ik geef toe, ietwat dichterlijk – kunt zeggen dat de christenen God aan het kruis hebben geslagen?
Uiteraard is dit niet hoe de christen het verhaal zal vertellen: volgens de christen is alleen de mens Jezus vermoord maar is Christus als God en dus als onsterfelijk wezen opgestaan en naar de hemel teruggekeerd. Maar evengoed hebben de christenen het bij uitstek blasfemische beeld geschapen van een goddelijk mens dat is vernederd en aan het kruis is vermoord. Net als in de vleeswording van God überhaupt zit hier een atheïstisch, blasfemisch element is dat in andere religies ondenkbaar zou zijn en waarmee het christendom het moderne atheïsme in zekere zin heeft voorbereid.
Groet,
Porphyrios
Beste Porphyrios,
Je hebt wel een heel bijzondere visie op het christendom, een visie die zeer waarschijnlijk door vele christenen als stuitend zal worden ervaren. Persoonlijk denk ik dat als belangrijk bezwaar hierbij kan gelden, dat het hier geen vrije schepping betreft, zoals van een auteur die een roman bedenkt, maar dat het gaat over historische gebeurtenissen en de interpretatie ervan achteraf. En nu kan hierbij onmiddellijk opgemerkt worden dat het twijfelachtig is of bijvoorbeeld Jezus wel bestaan heeft en of de gebeurtenissen als beschreven in de evangelien wel zo hebben plaatsgevonden als daar beschreven. Maar de orale overlevering was ook in die tijd behoorlijk nauwkeurig, zoals ook gesuggereerd wordt met het overeenkomstige in de veel later neergeschreven evangelien. Persoonlijk denk ik dat in dat wrede, militaristische Romeinse Rijk, het opkomende christendom door velen werd ervaren als een verhaal van hoop en leven en van verheffing van de zwakkere, de slaaf, de underdog, en zeker niet als een cultus van de dood en de Godsmoord. Leg het eens voor aan de lokale pastoor of dominee.
Verder zie ik hele andere oorzaken van atheisme, bijvoorbeeld de opkomst van de wetenschap en daaruit de anachronisering van religieuze mythen, plus de toename van een sterk subjectief-individuele en rationele kijk op de wereld en de afname (secularisering) van een intuitief-spiritueel ervaren van de werkelijkheid. Atheisme en theisme zijn beide vormen van geloof die verschijnen vanuit de synergie van een heel samenstel van factoren: culturele, neurologische, rationeel-argumentatieve en gevoelsmatige. Het zijn de verschuivingen daarin, van bijvoorbeeld opkomst boekdrukkunst en industrialisatie, die maken dat er verschuivingen optreden in het metafysisch ervaren.
Alleen geregistreerde gebuikers mogen comments plaatsen
Aanmelden of Registreer plaats een reactie